Jullie zitten aan het onbijt.
Het kind woont bij zijn moeder.
De man en de vrouw wonen dichtbij.
Men ligt in België.
Er zijn veel verschillen tussen mannen en vrouwen.
Veel tulpen komen uit Nederland.
Ik heb een geschenk voor jou.
Wij willen veel kaas op onze pizza.
De dreiging is vlakbij.
Zij rent naar hem toe.
Jij bent een persoon zonder toekomstig.
Ik slaap na het examen.
Wij varen door de rivier.
De lepel ligt naast het kopje.
Zij komen niet vanwege de regen.
Hij leest tijdens zijn pauze.
Jullie schrijven een boek over geld.
Er is een auto achter de deur.
Ik houd van alles behalve haar.
Hij stellt de vrede voor terwijl hij de oorlog bemoedigt (scheidbaar werkwoord: voorstellt).
Zij neemt iets onder haar venster waar (scheidbaar werkoord: waarnemen)
De rivier komt tegen de prooi vrij (scheidbaar werkwoord: vrijkomen)
Het experiment mislukt dankzij hun!
Ik zie niet jou sinds die dag.
Het is tegenover jou.
Het is een ramp volgens ze.